> column.php?nr=64115&stuurdoor

Column


Ter inspiratie


Op het heetst van de dag…
Genesis 18: 1-2 “De HEER verscheen opnieuw aan Abraham, bij de eiken van Mamre.
Op het heetst van de dag zat Abraham in de ingang van zijn tent. Toen hij opkeek, zag
hij even verderop drie mannen staan. Onmiddellijk snelde hij de tent uit, naar hen toe”
Als ik dit schrijf zitten we nog middenin een warme (zo niet hete…) zomer. Het is
vakantietijd, mensen trekken erop uit met caravans en campers. De campings in
Nederland zijn vol, maar ook over de grens zijn weer velen naar vakantiebestemmingen
gereisd. Het mag nu weer, corona strooit minder roet in het eten. Denkend aan
campings, tenten, en een stralende zon aan een wolkeloze blauwe hemel herinner ik mij
een verhaal in het Bijbelboek Genesis. Daar gaat het over Abraham, in een tijd die zo
anders is dan de onze. De tent waarin Abraham woonde zal in niets geleken hebben op
onze moderne kampeermogelijkheden en zeker niet op onze huizen. En mensen die op
reis waren kenden geen enkele luxe. Reizen gebeurde bijna altijd te voet, op onverharde
stoffige wegen. Mensen waren afhankelijk van elkaars gastvrijheid als ze op reis waren.
De drie vreemdelingen die Abraham voor zijn tent ziet staan worden dus ook gastvrij
onthaald. Abraham aarzelt niet; ondanks de hitte en zijn hoge leeftijd snelt hij naar hen
toe. Abrahams gastvrijheid is in onze tijd ondenkbaar: de vreemdelingen krijgen een
plekje in de schaduw, ze kunnen hun voeten wassen, er wordt brood voor de mannen
gebakken, en zelfs een kalf geslacht.
En dan blijkt dat dit niet zomaar reizigers zijn. Eén van hen vraagt: “Waar is Sara, uw
vrouw?” Die vraag is heel bijzonder, allereerst omdat het in die tijd heel ongebruikelijk
was dat mannen naar een vrouw vroegen, maar vooral omdat die mannen niet konden
weten dat Abrahams vrouw nu Sara heet, in plaats van haar eerdere naam Saraï. Die
naamsverandering had plaatsgevonden in opdracht van God zelf. God had een
eeuwigdurend verbond met Abraham gesloten. Hij had beloofd Abrahams God te zijn,
voor alle generaties en nakomelingen die Abraham zou voortbrengen.
En dan zegt de vreemdeling dat Sara en Abraham over een jaar een kind zullen hebben.
Dezelfde belofte die God al eerder had gedaan. Hoe kon die man dat weten? Dit waren
dus niet zomaar drie vreemde mannen. De HEER verscheen opnieuw aan Abraham!
Sara moet lachen om de woorden van de man. Een lach van ongeloof misschien, zij en
Abraham waren immers al oud? En dan zegt de man: “Waarom lacht Sara? Weet ze dan
niet dat voor God niets onmogelijk is?“ Om niet schamper te lachen maar vol vertrouwen
te zijn moeten we God wel toelaten in ons leven. Hij staat voor onze tent, Hij is er voor
ons als we hem toelaten in ons leven. Hem gastvrij ontvangen, het beste van onszelf
geven zoals Abraham deed. We moeten uit onze tent komen, uit onze schulp, naar buiten
treden, de ander tegemoet. En daardoor God tegemoet.
In de ontmoeting met deze drie vreemdelingen ontmoet Abraham God. Een andere
Bijbeltekst dringt zich op. In het nieuwe testament, in Matteus 25, kunnen we lezen dat
de Mensenzoon zal zeggen “Ik had honger en jullie gaven me eten, ik had dorst en jullie
gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen me op”. Daarop zal
gevraagd worden “Wanneer dan?”, waarop de Heer antwoordt “Wat je voor anderen hebt
gedaan, heb je voor mij gedaan”.
Wat Abraham voor de drie vreemdelingen deed, deed hij voor de Heer. Hij snelde zijn
tent uit. God en de ander tegemoet. Mooier dan Huub Oosterhuis kan ik het niet zeggen.
Hij omschreef het zo in zijn interpretatie van Psalm 85: “Geef ons vaart, naar U toe. Buig
ons toe naar elkaar. Laat zo de wereld worden”.
Tineke Bosma


Terug

 
Meer informatie   ANBI-register Verenigde Christelijke Gemeente Dokkum
contact maandblad privacy
routebeschrijving nieuwsbrief disclaimer
veelgestelde vragen inloggen colofon
2022 Doopsgezind.nl .